donderdag 17 april 2008

SOMBER WEER

Net als in Nederland is het ook in Zuidwest-Frankrijk niet altijd mooi weer, al spelen in beide gebieden de politici in het algemeen wel mooi weer. Hoe dan ook, in de winter en in het vroege voorjaar wil het hier nog wel eens somber zijn. Laaghangende wolken komen vanaf de Golf van Biscaje over het vlakke plateaulandschap aanscheren in schijnbaar oneindige hoeveelheden. Meestal staat hier dan niet veel wind waardoor die periode van somber weer extra lang duurt. Het is dan toch wel moeilijk om je draai te vinden: buiten is het te nat, te vochtig, te somber, te glad om wat voor werkzaamheden dan ook uit te voeren. Zelfs voor het kappen van bomen is het weer niet geschikt, want het is te glad op de hellingen – uiteindelijk heeft niemand zin om tijdens een val een draaiende kettingzaag in zijn/haar been te krijgen - en van het vocht krijg je reumatiek.

Dergelijke perioden, die dagen, weken en soms zelfs maanden duren, zijn gevaarlijk voor een evenwichtig humeur en voor het nemen van belangrijke beslissingen, want je denkt soms toch wel eens: er moet toch wát gebeuren. Wat er dan ook gebeuren moet, het moet plaatsvinden binnen de muren van het eigen huis. Zo zijn in dergelijke depressies al heel wat “bricoleurs” aan een binnenhuisklus begonnen waarvan zij later spijt kregen. Na enkele dagen verdwenen de grijze wolken, verdween de kou en vochtigheid, ging de zon weer schijnen, terwijl zij nog maandenlang gebonden waren aan zo’n binnenhuisklus waarvan zij toen het nut niet meer inzagen.

En zo moest ook ik mij de afgelopen winter en vroege voorjaar door deze moeilijke periode heenworstelen. Dagenlang heb ik gezocht naar iets om mij mee bezig te houden, maar het viel niet mee om iets geschikts te vinden. Uiteindelijk drong het besef door dat wij al jaren allerlei zaken verzameld, bewaard en anderszins hadden, terwijl de betekenis daarvan inmiddels vervlogen was. Kasten vol spullen die overbodig zijn, waarvan wij de schoonheid niet meer inzien, die wel ons huis kleiner maken en soms ook nog schoonmaakwerk – waaraan wij een afschuwelijke hekel hebben – opleveren. Het motto luidde dus al spoedig: weg ermee ! Een van de weinige zaken waarmee ik nog enige consideratie had was boeken. Die maken deel uit van mijn culturele achtergrond en daarvan is maar moeilijk afscheid te nemen; je zou dan afscheid nemen van een deel van jezelf. Prullaria zijn inmiddels in een hoek van de zolderkamer opgestapeld om in de loop van de zomer op een of meerdere “vides greniers” te worden verkocht. Daar komt dan nog bij alle spullen die wij opgestapeld hebben in de schuur voor afvoer door datzelfde distributiekanaal. Enkele jaren geleden zouden wij ons ervoor geschaamd hebben om met een tafel van dergelijke spullen op een marktje te gaan staan, maar nadat wij enkele jaren geleden onze vriendin R. op de markt in Beauville zagen staan en een jaar later onze chique vriendin C. en haar man Ph. op de markt in M. zagen staan – uiteraard in de sfeervolste kleding die zij zich nog kunnen veroorloven – menen wij ons niet langer te hoeven gêneren; wij zijn uiteindelijk niet zo’n beetje burgerlijk. Het enige waaraan je moet wennen, zei onze vriendin C., is dat je spulletjes aanbiedt tegen de belachelijke prijs van € 1,00 en dat het publiek vraagt of het niet tegen € 0,50 kan. Het zal toch wel even wennen worden.

Maar eigenlijk is dit het toch niet waar het in deze sombere tijden om gaat. Bij de grote schoonmaakaktie vond ik een papieren zak van een bekend modehuis; nou ja, bekend dat is nog maar de vraag. Een echt bekend modehuis verpakt haar spullen niet in een papieren zak, maar goed. In die zak – die al jaren ongeopend was gebleven – vond ik het receptieboek van onze trouwdag. Leuk omdat nog eens in te zien, maar niet de moeite waard om het nog eens bijna 40 jaar te bewaren. Ik vond er tevens een doos met enige honderden bidprentejes die in het katholieke zuiden van Nederland bij begrafenissen werden uitgedeeld. Een van mijn zusjes – de enig overgeblevene, want de twee anderen zijn inmidels overleden - had op de doos geschreven: “Kan weg.” Maar zij had kennelijk begrepen dat een van haar aan historie verslingerde broers misschien belangstelling voor een en ander had, en zo was die doos in mijn huis beland. Ik heb die bidprentjes een voor een ter hand genomen en gelezen: een monnikenwerk. En al spoedig werd mij duidelijk dat bandieten alleen in het heden bestaan en dat in het verleden iedereen eerlijk, zorgzaam, oprecht, behulpzaam, een goed vader of moeder was. En aangezien ik inderdaad geloof dat de wereld sinds de Romeinen – die daar toen al over klaagden – alleen maar slechter geworden is waren die teksten voor mij een echte “Aha-Erlebnis”. Voorzover die prentjes niet ergens reminescenties opriepen aan een mogelijke familierelatie – een naam die ik al eens eerder had gehoord, of meende gehoord te hebben, als behorend tot een verre en nabije familie – hebben ik alles weggegooid, ..... op één na. Dat was en is een “cas d’apart”.

Twaalf of dertien jaar zal ik geweest zijn toen ik een meisje ontmoette via een vriend die verliefd was op een ander meisje. En omdat wij gevieren min of meer in hetzelfde gedeelde van de stad woonden fietsten wij gezamenlijk in het middaguur naar huis om te lunchen; dat gebeurde voordat ook op scholen de zogenaamde “continu-rooster” werd ingevoerd, dat is een rooster waarbij het meerendeel van de leerlingen niet meer tijdens het middaguur naar huis gaat om te lunchen. Wij wachten diverse meestal op elkaar om tesamen naar huis te fietsen. Wij – C. en ik – hadden eigenlijk niets met elkaar; het waren H. en H. waar het eigenlijk om ging. Maar mijn vriend H. verhuisde naar een andere plaats en ik verloor hem na korte tijd uit het oog. En ook ik verhuisde, net als meisje H.; zij werd nota bene mijn (over)buurmeisje, maar met haar had ik niet veel op. En door die verhuizingen verloor ik C. plotseling uit het oog. Ik heb haar nooit meer teruggezien. Maar in de doos met bidprentjes van mijn moeder vond ik het prentje van haar vader. Hij was in 19.. ver van huis in D.H. overleden, kennelijk nog al plotseling, maar hij is toch nog in M. begraven; met die stad hadden hij en zijn familie toch nog een betrekking. Dat alles heb ik nooit geweten. Misschien had ik haar kunnen troosten. Hoe was het mogelijk dat mijn ouders dat kennelijk wel wisten en ik niet ? Zes jaar later verloor ik mijn vader, iets wat ik nooit zal vergeten.

Maar er zat nog meer in die papieren zak van dat bekende modehuis: het condoléanceboek bij het overlijden van mijn moeder. Een ongeteld aantal condoléances van voor mij meestal volslagen onbekend personen: vrienden en bekenden van mijn moeder en van mijn broers en zusters Vriendelijke woorden van troost bij een onkenbaar verdriet, ook al was mijn moeder bij overlijden al 82 jaar. Familieleden van dichtbij en ver af die hun medeleven uitspraken/opschreven bij het overlijden van hun Tante Tila of Tante Tilly. Roerend. Vooral: hoe beschaafd, rustig, bescheiden, vriendelijk zij was. Toch roerde mij het kaartje van de “Welfare-leidster” mij het meest. Voor degenen die wat jonger zijn dan ik: een “welfare-leidster” is iemand die een groepje oudere dames (wekelijks) begeleidt bij het maken van handwerkjes die verkocht worden voor goede doelen. Iets wat wij vandaag de dag bezigheidstherapie zouden noemen: door aktief bezig te zijn blijven lichaam en geest gezond. De leidster hiervan stuurde bij het overlijden van mijn moeder een kaartje met naast de gebruikelijke frases inzake het zware verlies van onze moeder/schoonmoeder de persoonlijke opmerking: “Zelden heb ik zo’n lieve en bescheiden dame ontmoet als uw moeder.” Vorig jaar was het 25 jaar geleden dat mijn moeder, na een kort ziekbed, overleed. Hoewel ik op de hoogte was van dit “jubileum” is daar verder geen aandacht aan besteed. Bij het lezen van dit kaartje – 25 jaar na dato – sprongen mij toch de tranen in de ogen. Deze leidster had het goed begrepen. Als je acht kinderen hebt gekregen en grootgebracht – terwijl je eigenlijk vier kinderen ook al leuk had gevonden – en die zijn allemaal getrouwd met alleszins acceptabele partners -, en als je op jouw sterfbed kunt bogen op het “hebben“ van 29 kleinkinderen waar je het al evenzeer goed mee kunt vinden, dan verdien je een medaille waarmee de “Grootorde van de Nederlandse Leeuw” verbleekt als een stukje katoen met hangend daaronder een stukje koper van matige kwaliteit. Als je in staat bent – tesamen met jouw man – zoiets te presteren dan verdien je eeuwige roem. Als je in staat bent tussen het overlijden van jouw man en jouw eigen dood gedurende – ongeveer, niemand weet precies hoeveel - 17 jaar een jaarlijkse familie-reünie te organiseren waarbij iedereen graag aanwezig is dan verdien je de hemel. Ik kom daar nooit, maar wie daar wél komt: doe haar de hartelijke en dankbare groeten van haar vierde zoon, tevens haar zevende kind.

Maar zo gaat het in de huidige wereld niet. Zeker nu niet, want thans krijgen degenen die in staat zijn de aandacht naar zich toe te trekken de meeste roem, of zij wat voorstellen of niet. Een ster zie je pas, een ster gloeit pas nadat je er licht op gestreken hebt. Zonder dat is een ster helemaal niets; niets meer dan een donker gat in een oneindig heelal. Mijn moeder was een échte ster, een onderbelichte ster; jammer dat er zo weinig licht op haar geworpen is.

maandag 4 februari 2008

DE PIANOSTEMMER

Men is hier van alle gemakken voorzien ; de meest-uiteenlopende beroepen zijn hier voorhanden; het moet dan toch niet zo’n geweldige toer zijn om allerlei klusjes te laten opknappen. Niet al te ver hier vandaan woont een pianostemmer. Hij is een vriendelijk, goedlachs, aimabel, en hij kan uitstekend verhalen vertellen. Hij zou een fransman kunnen zijn, maar dat is hij niet; hij is amerikaan: lang, slank, goedlachs. Het enige storende aan zijn persoonlijkheid is dat je geen afspraken met hem kunt maken. Het kan natuurlijk wel, maar het heeft geen zin want hij komt toch niet op de afgesproken dag en tijdstip en hij biedt voor deze nalatigheid ook geen excuses aan, maar hij is een goed pianostemmer. Hij komt zoals het hem uitkomt, en dat is meestal tegen het middaguur en dan rekent hij kennelijk op een uitnodiging om te blijven eten. Ik ken zijn vrouw niet, maar je zou bijna denken dat zij geen goede kok is en dat hij daarom er de voorkeur aan geeft om zijn voeten onder andermans eetkamertafel te steken. En hoewel dat zijn cliënten niet altijd gelegen komt wordt hij meestal uitgenodigd om te blijven lunchen. Bovendien: als je hem eenmaal in huis hebt, kun je hem beter niet weer laten gaan, want je weet nooit wanneer hij terugkomt.

Hij is een goed causeur, vol grappen en daarom toch ook wel een welkome gast. Bij een Franse, meestal uitgebreide lunch hoort een lekker glaasje wijn – of twee of drie - maar tijdens de maaltijd staat het werk stil en na de maaltijd kan hij moeilijk weer op gang komen. Laat in de namiddag gaat hij zuchtend achter de piano zitten en poogt die de stemmen. Meestal komt hij dan een moeilijk probleem tegen dat hij nu niet kan oplossen, maar waarvoor hij morgen zal terugkomen. Dat « morgen » is dan vele weken en vele – soms ook boze – telefoontjes later. En dan herhaalt het ceremonieel zich.

Zo adviseerde hij een vriend dat de stempels van zijn piano dringend aan revisie toe waren ; hij zou de zaak demonteren en bij hem thuis – waar hij over alle benodigde gereedschappen beschikte – de reparatie uitvoeren. Binnen veertien dagen zou een en ander geregeld zijn. De klant kon rekenen op een telefoontje voor een afspraak om de zaak weer te installeren. Toen die vriend na twee maanden nog steeds niets gehoord had belde hij de pianostemmer : hij was al goed opgeschoten ; het was nog slechts een kwestie van een paar dagen. De vriend werd er inmiddels toch depressief van geworden. Hij had de gewoonte om elke ochtend, en soms ook ’s middags enkele uren piano te spelen, niet altijd tot genoegen van zijn vrouw. Het was zijn enige hobby; een alternatief was er niet, of het zou tuinieren moeten zijn, en hieraan had hij een hartgrondige hekel. Helaas, de pianostemmer liet verder niets van zich horen.

Toen hij na vele vergeefse pogingen de pianostemmer opnieuw aan de telefoon kreeg deelde die hem doodleuk mede dat hij gepoogd had de stempels opnieuw te bekleden, maar dat hij dat al snel had opgegeven. Hij had ze opgestuurd naar een vermaard pianoreparatiebedrijf in Parijs. Hij wachtte op antwoord dat een en ander na reparatie terugverwacht zou worden. De pianist was een psychische inzinking nabij.

Toen twee maanden en diverse lunches later de piano er ook aan de binnenkant weer als een muziekinstrument uitzag vertelde de pianist mij opgelucht zijn verhaal. Ik luisterde er met stijgende verbazing naar. De pianist bleef de stemmer een aardige vent vinden en sprak vol lof over het geluid dat na het werk van de pianostemmer uit de gerenoveerde piano opklonk. En toen ik hem vroeg hoe dat toch mogelijk was: zoveel gebroken beloften, zoveel niet nagekomen afspraken, zo lang vergeefs wachten en toch de stemmer als een aardige, aimabele man kwalificeren. Toen sprak de pianist de gedenkwaardige woorden:
Het is als met het mooiste meisje van de klas, een mooie jonge vrouw waarop iedereen verliefd is; je weet dat zij jou bedonderd en je staat toch altijd op haar te wachten in de hoop dat je een eindje met haar af mag lopen, én op een steelse zoen in het donker. Maar je weet ook dat zij jou onbarmhartig lang laat wachten op iedere afspraak die je met haar maakt en telkens belazerd zij jou met een ander zodra je jouw rug gedraaid hebt. Maar als zij blijk geeft opnieuw een afspraak te willen dan ga je daar graag op in. Je blijft toch verliefd op haar.

maandag 5 november 2007

DE DOOD VAN LOUIS R.

Louis R. was al een oud man toen wij hem pas goed leerden kennen. Hij was op zijn tweeëntachtigste verjaardag opgehouden met werken vanwege ernstige rugklachten ; voordien hadden wij hem slechts zelden ontmoet en de gesprekken – zo men die al zo noemen mocht – beperkten zich tot : « Bonjour Monsieur. C’est beau temps aujourd’hui. » En dat kwam voornamelijk doordat hij voordien nog dagelijks aan het werk was, van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Maar toen hij 82 werd ging het echt niet meer ; zijn rugklachten waren zozeer verergerd dat hij zich op de tractor niet meer wenden of keren kon, en dat is toch wel noodzakelijk indien je werk van goede kwaliteit wilt afleveren.

Louis stond in het dorp bekend als een buitengewoon vriendelijke, hardwerkende man en als een groot liefhebber van de natuur, van flora en fauna, en dit kan in Frankrijk heel goed samengaan met een hobby als fervent jager. Bij alle grote boeren in de omgeving had hij gewerkt en allemaal waren zij uiterst tevreden over zijn inzet, werkkracht en vrolijkheid. Toen hij echter met « pensioen » ging veranderde dat laatste als bij toverslag. Louis werd nukkig, ontevreden en kortaf. Zijn vrouw klaagde dat haar man en zij – net als vele jonggetrouwden – na 60 jaar huwelijk plotseling en herhaaldelijk problemen hadden. Zij weet dit aan het veranderende maatschappelijke klimaat waaraan zij als oudjes kennelijk ook onderhevig waren. Vroeger hadden zij nooit problemen gehad.Tegenwoordig waren er herhaalelijk felle discussies en dan liepen zij beiden met een kwaad hoofd de deur uit, de ene linksaf en de andere rechtsaf.
Bovendien : Louis klaagde steen en been. Klaagde over zijn pijnlijke rug, over het feit dat hij alleen nog met een stok lopen kon, dat hij niet meer mocht autorijden, en wat al niet meer. Hij was domweg chagrijnig. Er kon geen vroiendelijk of optimistisch woord meer vanaf. Op een dag had de doodsklok in ons dorp geluid, en wij vroegen hem of hij wist wie er overleden was. Zijn antwoord was kortaf : « Dat weet ik niet ; ik ben het in ieder geval niet. » Toen wij toch nog wat verder vroegen antwoordde hij : « Eens, op een dag zal de doodsklok luiden en ook dan kan ik u niet vertellen voor wie dat is, want dat is dan voor mijzelf. »

Jaren gingen voorbij. Louis liep dagelijks op zijn stok naar het dorp en nam bij het supermarktje plaats op de bank. Hij maakte een praatje met een oude vriendin. Maar vrolijker werd hij er niet op. Hij vertelde openlijk dat hij met 92 jaar het leven wel voor gezien wilde houden. Nu hij niet meer werken kon was er niets meer aan. Zo klaagde hij tegenover iedereen en ook tegenover zijn vrouw. Op een dag – met opnieuw een dag van nutteloosheid voor zich, althans zo zag hij het – klaagde hij voor de zoveelste maal tegenover zijn vrouw dat hij het niet meer zag zitten. Die wist hem niet op te beuren. Daarop stond Louis resoluut op, liep naar de slaapkamer, pakte daar een oud model revolver tussen de lakens in de kast vandaan en liep terug naar de kamer. Zonder verder een woord te zeggen schoot hij zich met het revolver door de keel.

De dokter en de ambulance waren snel ter plaatse. Louis leefde nog. Met spoed werd hij naar het ziekenhuis in een nabije stad gebracht. Daar is hij na enkele dagen overleden. Bij de begrafenis was heel het dorp aanwezig. Het is hier de gewoonte dat de mensen zich voor de kerk verzamelen. Toen de lijkauto voor de kerk aankwam traden de vier boeren waarvoor louis gewerkt had resoluut naarvoren en droegen de kist eerbiedig de kerk in. Een toonbeeld van diep respect voor degene met wie zij zo vele jaren prettig hadden samengewerkt.
Na de kerkdienst ging de stoet niet zoals gebruikelijk naar het plaatselijke kerkhof, maar naar het grotendeels ingestorte kerkje van Saint Julien, even buiten het dorp. De gemeente had zich ingespannen om het omliggende kerkhof zo goed mogelijk van metershoog onkruid te ontdoen, want er was al enkele decennia niemand meer begraven en het kerkhof was dan ook verder niet onderhouden. Louis had echter bepaald dat hij daar begraven wilde worden, want daar – op dat sterk hellende kerkhofje - lagen vele generaties van zijn voorouders. In deze regio zoeken « retraités « vaak een huis met een fraai uitzicht over dit prachtige land. Het ene uitzicht nog mooier dan het andere. Maar niemand heeft zo‘n fraai uitzicht als vanaf het graf van Louis. Je zou hem om die plek haast benijden.

woensdag 31 oktober 2007

REQUIEM VOOR EEN VARKEN

Sinds een paar weken is verandering gekomen in de huiselijke situatie van Monsieur C.. Voor het eerst na vele, vele jaren vraagt hij in de “épiserie” nog slechts om één brood. Ik stond achter hem bij de kassa, en ik had juist het fatale nieuws vernomen: het immense varken van Monsieur C. was de dag tevoren overleden. Het beest was voor enig vertier naar buiten gelaten, maar bleek aan de achterzijde verlamd. Het gromde vervaarlijk. Ondanks zijn handicap had het – in zijn laatste ademtocht – geprobeerd het hekwerk te rammen dat hem scheidde van de buren. De vitale buurman – pas 87 jaar – had zich bedreigd gevoeld en was met zijn jachtgeweer in de aanslag achter de heg gaan liggen (waar heb ik dit meer gehoord ?). Maar er was geen schot gelost; nog voor het varken ook maar één poot op het terrein van de buurman had kunnen zetten viel het zieltogend op de grond. De geraadpleegde dierenarts (een voormalige hormonenspecialist uit België die het verstandiger had geoordeeld om naar Frankrijk te verhuizen) constateerde een acute hartstilstand. Sindsdien koopt Monsieur C. in de ‘épiserie’ nog steeds 2 literflessen hoofdpijnwijn per dag maar nog slechts één ‘flute’. Niemand vraagt hem naar de reden van die verandering.
Toen Monsieur C. de ‘épiserie’ had verlaten, sprak ik over de recente gebeurtenis met Cathérine, de ‘épisière’. Ik wees haar op de belang van de dood van dit opmerkelijke varken, en zij merkte op: ‘Oui, c’est dommage pour lui.’ Maar ik meende haar toch te moeten wijzen op de ruimere historische betekenis van het overlijden van dit varken: vroeger was het in deze omgeving niet ongebruikelijk dat kleine boertjes een varken in huis hielden, maar ik ken niemand meer die hedentendage nog een varken op 4 benen in huis heeft. Monsieur C. was de laatste. De ‘épisière’ begreep wat ik bedoelde en antwoordde: ‘Ils n’ont pas sonné les cloches !’

zondag 28 oktober 2007

GELDZAKEN

Inmiddels alweer heel wat jaren geleden brachten wij onze vakantie door in het oosten van Frankrijk, in een klein plaatsje aan een meer, langs de route die Napoleon gevolgd had toen hij van zijn verbanningsoord Elba op de terugweg naar Parijs waar hij de macht opnieuw wilde overnemen. De zittende regering zag hem echter niet zo graag in Parijs aankomen en zond hem een aanzienlijke troepenmacht tegemoet.
Toen Napoleon en het regeringsleger elkaar in het plaatsje ontmoetten waar wij zoveel later gelogeerd waren en waarvan ik inmiddels de naam vergeten ben, riep Napoleon zijn tegenstanders toe dat hij hun koning was. Daarop sloten die legers zich bij hem aan en gezamenlijk veroverden zij Parijs en zetten de regering af. Maar dat alles is niet waar het nu om gaat.

De ochtend na onze aankomst op de locale camping liep ik met hond en kinderen naar het dorp om mijn vrouw de gelegenheid te geven wat langer uit te slapen en brood te halen voor het ontbijt. In de « boulangerie » was het behoorlijk druk met locale dorpsbewoners en met de in de zomer alom tegenwoordige vakantiegangers. Het was een echt plattelandsdorp en bepaald geen « Côte d’Azur »-dorp. Daarom viel de wulpse kleding van een dame die toch overduidelijk tot de inwoners van dat dorp behoorde eens temeer op. Toen zij aan de beurt was om haar brood te kopen vroeg zij om twee « baguettes » en twee « croissants ». Zij wilde betalen met een biljet van 50 Franse francs. De dame achter de toonbank repliceerde echter : « Ce n’est pas un biljet pour payer le boulanger ; c’est un biljet pour faire l’amour. » De meeste buitenlanders verstonden er niets van ; de localen en enkele vakantiegangers gniffelden.

DE ZEVENSLAPERS EN DE TWEE SLECHTE SLAPERS

Kort nadat bekend werd dat wij een huis in Frankrijk gekocht hadden meldden zich familieleden, vrienden en bekenden die graag gebruik maakten van de mogelijkheid om ons onderkomen voor korte en langere tijd te huren. Als eersten meldden zich een zus en zwager die kennelijk nog al avontuurlijk waren ingesteld. Zij maakten vele buitenlandse reizen en beklommen menige berg. Niet gespeend van de nodige nieuwsgierigheid waren zij er als de kippen bij om daar te gaan logeren. Nu moet ik toegeven dat ons huis destijds maar matig was ingericht. Er was alles wat een mens echt nodig heeft : goede bedden, eetkamertafel en stoelen, een eenvoudig maar degelijk zitje, maar ook niet veel meer dan dat. Er hingen dus geen « kunst »-werken aan de muur en aan verdere verfraaiing van het interieur was niet veel gedaan. Ook de tuin was niet veel meer dan een wat ruig uitgevallen grasveld. Voor degenen die niet zo’n romantische blik hebben als wij kan dit bijdragen tot een « unheimisch Gefuehl », vooral als zo’n huis voor Nederlandse begrippen niet in de bewoonde wereld ligt en als er ‘s nachts onheilspellende geluiden uit het aangrenzende bos opklinken. Voor ons is zoiets geen bezwaar : wij kochten dat huis voor de broodnodige rust en wij prefereren de stilte van het nachtelijke woud in ons dorp boven de permanente herrie van de altijd nabije autowegen in Nederland. Toch waren wij niet helemaal gelukkig met hun wens om als eersten ons tweede onderkomen te gaan bekijken en daar te logeren.

Om kort te gaan, toen zij in Nederland terugkwamen uitten mijn zus en zwager zich vol enthousiasme : prachtig hier en prachtig daar, heel gezellig, etc.. Maar wij voelden al gauw nattigheid : zo mooi als zij zeiden dat het daar was is het niet, en zeker toen niet tijdens hun bezoek. Bovendien waren onze gasten korter gebleven dan tevoren was afgesproken. Er móest iets aan de hand zijn.

Na enig navragen bleek het volgende.
Op een ochtend was mijn zus – zoals gebruikelijk al zeer vroeg – de « salle de séjour » - een chique woord voor « alles-in-één-kamer » - ingegaan om een kopje koffie te maken, want voor haar begint de dag vele uren eerder dan voor gewone mensen. Toen zij het licht aandeed – een schamel plafondlampje - schrok zij vreselijk : er zaten 3 grote, wild uit hun ogen kijkende beesten tegen de muur aangedrukt. Die keken haar strak aan met hun ogen op stokjes en ze zagen er zo gevaarlijk uit dat het wel leek alsof zij haar zouden bespringen als zij ook nog maar één stap verder de kamer in zou gaan. Van schrik bleef zij aan de grond genageld staan ; zo’n engerds had zij nog nooit gezien. Staarten met een pluim aan het eind zoals bij eekhoorns. In het midden een kale staart zoals bij ratten. Lange nagels en scherpe tanden. Voorzichtig probeerde zij achteruit schuifelend de kamer weer te verlaten, zorgvuldig in de gaten houdend of soms een van die monsters daadwerkelijk tot de aanval zou overgaan. Zachtjes sloot zij de deur achter zich.

Terug in de slaapkamer maakte zij haar man wakker en vertelde haar verhaal. Die geloofde er in eerste instantie niets van, maar hij had toch ook geen zin om aan de uitdagende opmerking : « Ga dan zelf kijken » gevolg te geven. Uiteindelijk wist mijn zus haar man toch ervan te overtuigen dat ook hij maar eens een kijkje in de kamer moest nemen en zichzelf moest overtuigen van het dreigende gevaar dat van die monsters uitging. Mijn zwager opende voorzichtig de deur en gluurde naarbinnen, op veilige afstand gade geslagen door zijn vrouw. Hij schrok zich het apezuur : Twee beesten met wijduitgespreide poten hingen tegen de muur en hun grote, starende ogen voorspelden niet veel goeds. Het derde exemplaar was al doorgedrongen tot het aanrecht en deed zich tegoed aan het brood van de vorige dag. Op slag wist hij het zeker : hij kon met geen mogelijkheid de oorlog tegen deze indringers winnen, maar wát te doen ? Rillend van angst en koude overlegden mijn zus en zwager in de gang voor de kamerdeur over de te volgen strategie :
het idee van mijn zusje om haar man naarbinnen te laten gaan met een vliegenmepper om die beesten te vermoorden werd door hem onmiddellijk afgewezen : dat zou bloedvlekken op de muur opleveren en bovendien kon hij beslist niet van bloed ;
het tweede idee om haar man ongewapend naarbinnen te laten gaan, snel de ramen open te zetten en die beesten naarbuiten te jagen werd ook door haar man eveneens verworpen : hij zou allang door die beesten gekrapt, gebeten en gevierendeeld zijn nog voor hij ook maar één raam geopend zou hebben ;
het laatste idee om de beesten te laten waar zij waren, de deur naar de « salle de séjour » zorgvuldig gesloten te houden en verder door te gaan met vakantievieren leek beiden niet uitvoerbaar : zij zouden geen nacht meer kunnen slapen uit angst dat die beesten erin zouden slagen om de kamerdeur te openen en in hun slaapkamer binnen te dringen ; je kon met één blik zien dat die beesten buitengewoon intelligent waren ; die operatie zou hun best lukken.

Na rijp beraad besloot het dappere stel te kiezen voor de minst-eervolle maar wel de meest-veilige stap : de vlucht. Snel pakten zij hun koffers in. Het had toch maar van een vooruitziende blik getuigd dat zij de vorige avond uit angst voor mogelijke inbrekers al hun spullen meegenomen hadden naar hun slaapkamer. Dan behoefden zij nu tenminste niet meer die vreselijke kamer met die enge beesten in. Zij sloten het huis zorgvuldig af en gingen op zoek naar een hotel. Maar na die vreselijke ervaringen konden zij ook daar niet meer slapen. Na een paar nachten keerden zij terug naar Nederland : die beesten hadden hun vakantie verziekt.


Die afschuwelijke beesten waren Zevenslapers, ofwel in de Franse Taal : « Loires ». Moet je daar nu zo bang voor zijn ??????

dinsdag 25 september 2007

DE OPTIMIST

Elk weekeinde - in voorjaar, zomer en najaar - is er wel ergens iets te beleven. Vaak is dat iets dat een markt voor "antiquités", "brocante" of domweg "vide grenier" wordt genoemd. De aard van de markt wordt voornamelijk bepaald door de aard en omvang van de stad, het dorp of het gehucht. Zo zijn er echte chique overdekte antiekmarkten in Bordeaux en Toulouse waar spullen van hoge kwaliteit worden aangeboden. Daarnaast zijn er redelijk goede antiekmarkten in Agen, Villeneuve sur Lot, Cahors en Auvillar, brocante-markten in een groot aantal dorpen en moeten de kleine plaatsen het stellen met "vide greniers" in de open lucht waar vrijwel uitsluitend echte rommel te koop is.
Wij bezoeken die markten graag, al is het maar om die soms wat saaie zondagen door te komen. Bij voorbaat spreken wij echter af dat er niets gekocht gaat worden want wij hebben al een huis vol rommel. Alleen in het zeldzame geval dat wij iets uitzonderlijk leuks vinden gaan wij overleggen wat bij een eventuele aankoop (uiteraard afhankelijk van de prijs) aan spullen die wij al hebben naar de vuilnisbak of de "vide Grenier" verwezen kan worden.
Afgelopen zondag was het weer zover. Een "vide grenier" in La Sauvetat, niet ver hier vandaan. Een echte rommelmarkt. Eigenlijk is het jammer dat je daar je goede tijd aan besteedt. Er waren een paar fraaie oude aardewerk potten, maar die vonden wij te duur. Als er niets van je gading te vinden is dan hou je nog de mogelijkheid over om mensen te bekijken, vogels van diverse pluimage: zij die hun spullen aanbieden of die als potentiële koper een biedingenslag beginnen met de handelaar die € 2,00 vraagt voor een prul, waarna de koper vraagt of het niet voor € 1,50 kan. Soms ontmoet je er ook chique vrienden die een kraampje gehuurd hebben om hun overtollige spullen te verkopen; een leuke gewaarwording om hun daar in de functie van handelaar aan te treffen.
Eén van de professionele handelaren was een buitengewoon dikke man met een gigantische stierennek - ik schat hem op tenminste 150 kg - die op een minuscuul stoeltje zat. Hij had zijn handelswaar breed uitgestald en hij regeerde over "zijn" gebied als een dictatoriale koning, links en rechts vragen beantwoordend en over een prijs viel niet te onderhandelen. Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat hij in elk neusgat een doorzichtig slangetje had die achter zijn rug samankwamen en uiteindelijk uitmondden in een vele meters verderop verdekt opgestelde zuurstoffles. Naast die ene stond nog een tweede fles, kennelijk als reservevoorraad. Keurig afgeschermd door een fraai schild. In zijn linkermondhoek bungelde een sigaret van een bekend Frans merk die voor fraaie rookwolken zorgde. Met de slangetjes in zijn neus en de sigaret in de mond slaagde hij er toch in om vervaarlijk te hoesten.
Toen wij een kwartier later de markt afliepen in omgekeerde richting zat hij er nog steeds. Er lagen twee pakjes sigaretten en een doosje lucifers voor zijn voeten. Hij moet een onverbeterlijk optimist zijn.